
Water stroomt altijd naar beneden. Uiteindelijk zou een polder die lager ligt dan de omgeving vollopen met water.
Daarom ontwikkelde de Nederlanders in de 17e eeuw water molens. Door de wind draaien de wieken, de assen in de molen en daarmee het scheprad of de vijzel die het water omhoog brengen vanuit de polder in het water daarbuiten.








